U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

Dichtersprofiel ― Iris Besseling

 

Foto Ton LottermanFoto Ton Lotterman

 

Omhulsel

De zon lijkt gele strepen te maken op de witte muren naast mijn ramen,
als ik mijn neus er dicht genoeg tegenaan zou drukken,
zou ik misschien door de schijn heen kunnen kijken.

Ik leg mijn handpalm tegen het gecondenseerde raam,
laat een rilling over mijn schouders naar beneden glijden.
Hij legt zijn hand op de laag stof die mijn onderrug bedekt.

Als ik mijn benen te lang in een ongewone positie duw,
moet ik de knoop en de rits die in mijn buik drukken openen,
om adem te kunnen halen.

Voor we in bed stappen, kleden we
soms onszelf en soms elkaar uit,
zijn vingers een koude afdruk op mijn heupen.

Vaak blijven we in elkaar haken,
halen elkaar uit,
maken een lappendeken van gewenste eigenschappen.

We zijn een hoop draadjes op de vloer,
katoen, polyester, linnen, wol,
te gerafeld om nog iets te kunnen vormen.

 


 

Bergen

Hij vraagt me hoe het nu is en ik zeg hem dat ik kalm ben,
het soort kalm dat de reden is dat de uitspraak “kalmte voor de storm” bestaat.
Ik zeg hem dat ik wacht tot het afscheid,
dat ik dan een storm zal worden,
dat ik alles zal verwoesten zodra ik bekende bodem raak.
Hij kijkt me vragend aan en ik vraag me af
of het de taal, de wind, of de boodschap is die voor problemen zorgt.

Ik zeg hem dat ik me hier thuis voel,
meer dan ik thuis ooit deed,
dat ik nu pas door heb hoe verstikkend Nederland is,
dat ik pas door had dat ik al jaren mijn adem in hield
toen ik hem uit kon blazen vier bergen verderop,
dat ik tulpen pas mooi vind nu mijn tante dood is,
dat ik tulpen pas mooi vind nu ik ze niet in Nederland zie.

Ik zeg hem niet dat ik denkbeeldig zijn hand vast zal houden,
wanneer het vliegtuig over twee maanden opstijgt
en ik mijn tranen tegen het smerige raam druk,
omdat ik alleen zal zijn,
omdat ik niet thuis zal komen als ik land.

Hij vraagt me hoe het nu is
en voor ik de woorden vind om te zeggen dat het beter kan,
heeft hij het antwoord al in mijn ogen gevonden.
Ik ben niet langer bang om kwetsbaar te zijn.

 


 

Tot op het bot

Wij zijn voer
voor onze gedachten,
voor handen en ogen die ons
te snel, te veel, te hard
door een oneindige vleeskeuring halen.

Wij zijn platgetrapte peuken,
een geworden met straattegels,
waar sommigen doelgericht overheen stampen, 
terwijl anderen keurig binnen de lijntjes blijven
zoals van ze wordt verwacht.

Wij zijn het laatste frietje, 
altijd koud en onverschillig,
ongeliefd, onaangeraakt,
weggemoffeld bij andere producten 
waar de mensheid veel te weinig om geeft.

Woorden kaatsen af op muren 
waarmee we de hemel proberen te bereiken. 
Steeds te dik, te druk, te weinig, 
vreten we onszelf stukje bij beetje op 
tot er niets van ons over is
dan het
laatste
hapje.

 

Iris Besseling

 


Cookie-beleid

Deze site maakt gebruik van cookies om informatie op uw computer op te slaan.

Gaat u akkoord?