U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

Context bij het stadsgedicht:

 

In onze huidige leefwereld met een virus dat ons
bedreigt, worden mensen ongedurig en neemt
onbegrip en boosheid toe die zich uit in agressie.

 

Analfabeet

Verloren in woorden die je nooit eerder had kunnen zeggen, dwaal je door de stad.
Je draait en danst en lacht en 
doet me langzaam inzien dat ik niet langer in je wereld pas.
Ik stuur hoopvolle glimlachjes naar je toe op afstand, maar ze zweven onbeantwoord in de lucht.
Ik werp blikken op handen die verkeerde mensen raken, blikken die je vroeger altijd op mij richtte.
Ik raak de weg kwijt in mijn woorden zonder jou als richtpunt.
Hoe kan bekend ineens zo onbekend zijn, je gezicht verdraaien tot een masker dat ik altijd dacht te kunnen lezen, maar ineens niet meer begrijp.
Je bent een taal gaan spreken die ontcijfering nodig heeft, 
woordenboeken uit oude kasten, 
eindeloze internetspeurtochten, 
maar je hebt van mij een analfabeet gemaakt. 
 
Vroeger
 
Hoe vaak een automobilist zijn kentekenplaat opnieuw heeft aan moeten vragen,
je favoriete whiskeymerk,
hoe je koffie drinkt en shag draait,
er zijn nog veel meer dingen die ik door jou de rest van mijn leven zal weten.
Maar wat je zei wanneer je me naar bed bracht
en of je überhaupt ooit van me gehouden hebt,
ben ik al jaren geleden vergeten. 
 
Weerloos

Ik ben bang en
boos en
eenzaam.

Ik ben,
hoezeer ik mezelf ook 
keer op keer
weer verweer
verschrikkelijk weerloos.

Ik ben zwak en
zacht en
alleen.

Ik zoek vergeefs
naar langdurige liefde of iets 
dat daarop lijkt en dat me 
het liefst 
een stuk minder verloren laat lijken.

Ik vecht en
werk en 
laat niet los en
laat niet gaan en
ga er zelf aan onderdoor.

Ik laat muren vallen en
harten open staan en
woorden als watervallen naar buiten stromen,
en altijd ben ik moe.

Moe van zwak zijn en een zwak hebben
voor iemand die zelf nog
zoveel zwakker is dan ik.

Moe van mooi zijn en 
moeite doen en maar mooi 
niet “moeilijk” doen 
want dat,
dat is te veel voor hen.

Moe van wachten op rust,
die ik mezelf nooit 
even kan geven want
rust nemen kost tijd en
tijd heb ik niet

Ik wil sterk zijn 
en gillen en slaan en
wegvliegen naar landen waar ik
al jaren wil stranden en waar ik 
in mijn dromen al jaren ben beland.

Ik wil groeien en bloeien en niet langer 
klein blijven zoals altijd 
van vrouwen wordt verwacht.

Ik wil schrijven en tonen en 
mensen blijven laten zien
wat er zo mooi is aan de ander en misschien
kan ik mezelf 
dan net zo zien.

Er ligt schoonheid in de chaos, 
bomen zijn het mooist wanneer ze lijken te sterven, 
kamers zijn het best wanneer je struikelt over uitgespreide herinneringen die
verspreid over de vloer
lijken te schreeuwen om aandacht maar
pas schreeuwen wanneer je op ze stapt.

Ik ben een wervelwind van uitgespreide herinneringen op de vloer en er is te vaak op me gestapt om nog te schreeuwen. 
 
Kermis
 
Dansende lichtjes, lachende mensen.
Ik kijk omhoog en draai mee met de reusachtige attracties om me heen.
Waar draaien ze heen?
Omhoog? Omlaag? Naar links? Toch rechts?
Ze blijven hoe dan ook op hun plek.
Ik niet, ik draai.
Linksom, rechtsom.
Ik kijk omhoog, muziek vult mijn oren, lichtjes mijn ogen.
Ik kijk omlaag, honderden voeten lopen verschillende richtingen uit.
Omhoog? Omlaag? Naar links? Toch rechts?
Iemand trekt aan mijn arm. “Kom je nog?”
Ik knik verdwaasd, verloren in het licht.
Dan omhoog, boven het licht van de hele stad, stilte, ver omlaag het geluid van het feest.
Naar beneden, word er weer deel van, kijk omhoog, niks te zien.
Weer naar boven, sluit mijn ogen, neem de rust in me op.
Naar beneden, het dansen van de attractie stopt.
Iemand aan mijn arm “Kom je nog?”
 
Val niet voor me

 

Ik val niet

Mee of soms toch onverwacht,

Hard. Ik scheur

Je open met vingertoppen

Van doorns, verstik je

Met woordenwatervallen van honing.

Geen waarschuwing, geen begrip,

Slechts hard en lelijk.

Ik vergooi, verstrooi,

Duizenden gevoelens en

Zachte handen

Op ontbloot bovenlijf en

Chaos in de lucht.

Ik omarm de chaos,

Leg mijn vingers teder

Op haar wangen en

Wacht

Tot ze me wurgt,

Alle lucht uit me rukt en 

Me volledig overneemt.

 

Boot

 

Ik vaar door eindeloze leegte de onzichtbare stilte tegemoet. Het geronk van een, door water en olie voortgedreven, machine houdt me wakker, verlangend naar een plek die zonder huis toch thuis is.

 

Witte schichten boven olie steden verlichten tijdelijk mijn wereld en doorboren mijn gedachtes die, verstrooid over het water, wegdrijven in de eindeloze nacht.

 

En toen. Zwart. Eindeloos zwart en gedachtestromen die samen met het water wegsijpelen en me laten verdwalen in een wereld die ik lange tijd niet heb gekend, een oude vriend die ik al jaren niet gesproken heb. En toen. Rust.

 

Scheur

 

 

Scheur in muur

Streep door steen

Takken hangen bangig aan de kant en

Luisteren naar ritselende bladeren die

Lijken te huilen door de regen.

 

Scheur in hoofd

Streep door gedachten

Lichamen liggen bangig in een hoek en

Luisteren naar oorverdovende stilte

Die lijkt te schreeuwen om aandacht.

 

Scheur in hart

Streep door vertrouwen

Gezichten draaien gebroken weg en

Kijken naar de scheur in de muur die

Ineens zoveel meer is

Dan een streep door steen.

 

Vliegen

 

 

Rood en roze vloeien over in elkaar door vieze vliegtuigraampjes.

Vleugels staan fier overeind en dragen een eindeloze hoeveelheid verhalen op hun schouders.

Vreemden verblijden zich samen over een toekomstige reis.

Een baby mengt zich in het gesprek, maar wordt bot onderbroken door grote mensen die zich stilletjes samen verwonderen over rood en roze die één worden en steden die verdwijnen ver beneden.

Stipjes licht seinen naar reizigers “goede reis” “we zullen je missen” “kom snel thuis”.

Ik wil bijna zwaaien naar de wereld onder me, haar laten weten dat ik van haar houd, maar lichtpuntjes verdwijnen al onder een gigantische ijzeren buik die kleding en boeken en knuffels in zich opslokt, ook die van mij.

 

Amnesia (Inspired)

Onze foto's liggen uitgestald op mijn bureau.
Ik moet toegeven dat ik er altijd naar kijk als ik me alleen voel, ik koester ze, stuk voor stuk.
Iedereen vraagt zich af waarom ik niet mee doe, waarom ik liever vanaf de zijkant toekijk, muziek aan, wereld uit, jij weg uit mijn gedachten.
Het breekt me om aan je te denken, me te realiseren dat je niet meer van mij bent, en ik niet meer van jou.
Het is moeilijk om je naam te horen, ik heb je al zo lang niet gezien.
Ik probeer je te herinneren, zoals je echt was, maar mijn herinneringen vervagen.
Welke kleur hadden je ogen, hoe voelde het als je je armen om me heen sloeg, werd je echt altijd gevolgd door een walm van tabak en whisky?
Als ik kijk naar die foto's vraag ik me af waar je bent, of je er altijd zo oud, zo vermoeid uit zag. Waarom had ik dat nooit eerder gezien?
Het is alsof we nooit echt bestaan hebben, was het allemaal slechts een leugen?
Als wat we hadden waar was, hoe kan het dan dat alles goed met je gaat?
Want ik ben alles kwijt dat ik ooit heb gehad, met mij gaat het helemaal niet meer zo goed.
Ik herinner me de dag dat je me vertelde dat je wegging, ik herinner me de make-up die over mijn wangen stroomde, de dromen die je me liet achterlaten; ik had ze niet meer nodig, net als elke wens die we ooit samen hadden gemaakt.
Ik zou willen dat ik wakker zou worden met geheugenverlies en alle kleine dingen zou zijn vergeten. Zoals hoe veilig ik me voelde in je armen, hoe je me troostte en ik naast je in slaap viel.
En alle herinneringen waaraan ik nooit zal kunnen ontsnappen.
Want met mij gaat het helemaal niet meer zo goed.

Met bovenstaand gedicht is Iris de winnares geworden van het 10e Open Poëzie Podium 2014. 

Cookie-beleid

Deze site maakt gebruik van cookies om informatie op uw computer op te slaan.

Gaat u akkoord?