Ruud van der Linde


Voortdurend

het mes waarmee ik smeer

de pan waarin ik kook

een broek waarin ik loop

het boek dat ik nu lees

de lamp die hier brandt

een drieluik aan de wand


het bed waarin ik slaap

de stoel waarop ik wip

een schaar waarmee ik knip

het glas waaruit ik drink

de fiets waarop ik stuur

zelfs de jas was er niet te duur


het voortdurend hergebruik

de hechte kracht van wedergeven

een eindeloze kring van herbeleven



Oud,

als in feitelijk afgedragen,

dat je overduidelijk klaar bent, en

afgetrapt, maar dat het

afgeleefde, of het bouwvallige, toch

iets heeft van een zeker Zijn. Belegen


doch niet beschimmeld,

bejaard, maar niet kaduuk,

gewezen geworden, in wezen

klassiek doorleefd, en toch

iets draagt van een gerijpte wijn. Dat


lekker oud Zijn, bij lange na

niet tipt aan jong en onvolprezen, dat in

oud zijn klasse huist, en toch

iets bergt van fris en fruitig zijn.